You are learning past with zijn: you will read the scene it happens in, learn 10 words and phrases, take apart the pattern behind them (perfect tense with zijn (movement & state verbs)), hear them in a conversation, rehearse them, and finish by saying one thing out loud to be graded.
Walking along the Prinsengracht canals, reflecting on the day, Amsterdam
Gisteren ben ik door de Jordaan gelopen. Ik ben bij het Anne Frank Huis langs gekomen. Er was een lange rij. Ik ben doorgelopen naar de Prinsengracht.
Over de brug ben ik naar de Negen Straatjes gegaan. Daar zijn kleine winkels en cafés. Ik ben een kaaswinkel binnengegaan. De eigenaar was vriendelijk. Ik heb oude kaas geproefd.
Daarna ben ik naar een bruin café gegaan. Een bruin café is een traditioneel Amsterdams café. De muren zijn donker van de rook en de tijd. Het was heel gezellig. Ik ben twee uur gebleven.
Het is laat geworden. Ik ben langs de grachten teruggelopen. De lichtjes op het water waren prachtig. Ik ben moe maar gelukkig thuisgekomen. Wat een dag.